
Op mijn werk kom ik het vaak tegen: schelden met kanker. Of woorden kracht bijzetten met kanker. De voorbeelden zijn legio: kankermongool, kankerbek, kankerhard, kankerlaf, kankervies, kankerhoer, kankergrappig, kankersnel, kankerslet, kankerkop, kankerdik. Het typen van deze voorbeelden alleen al geeft me een akelig gevoel.
En de varianten zijn nog niet op, ik weet er zelf niet meer. En eerlijk gezegd, weet ik er volgens mij al te veel. Iedere keer als ik een dergelijke combinatie hoor, lijkt het alsof iemand een stukje van je hart wegknipt. Misschien is dat het niet, maar het is moeilijk om te omschrijven en het raakt me iedere keer. Gek is dat.
Slechts bijvoeglijk
Het zijn maar woorden en los van elkaar doen ze me niets. Maar in combinatie komen ze blijkbaar hard binnen. De betekenis ervan kan het niet zijn, want eigenlijk zeggen ze niet meer dan de bekende combinaties van bijvoeglijke en zelfstandig naamwoorden als: super, heel, kei, über-, vieze, grote, kleine, rotte, nare, dikke, enz. Je krijgt dan bijvoorbeeld 'vieze bek, 'heel dik' en 'supergrappig'; een stuk onschuldiger.
Ongevoelig
De pijn zit hem dus ergens anders. En ik denk dat het is dat iemand door een dergelijke uitspraak, zonder het zelf in de gaten te hebben, voorbijgaat aan de ellende die anderen doormaken met deze ziekte. De spot drijft met die mensen of wat zij moeten doorstaan. Eigenlijk is die ongevoeligheid dus de stomp in je maag. Zouden de kanker-schelders er mee ophouden als ze er zelf voor komen te staan?
Te weinig is te veel
Dat weet ik niet zeker. In de Randstad is het veel 'normaler' dat men zich op deze wijze uitdrukt. En daar moeten ook mensen wonen die kanker hebben of in ieder geval mensen kennen die met de ziekte worstelen. Wat is dan het verschil? De mate van blootstelling? Misschien hoor ik het dan te weinig. Maar ook te weinig is wat mij betreft te veel. Het irriteert me in ieder geval mateloos.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten